De kunstkritiek over Toon Kelder

Toon Kelder manifesteerde zich pas vanaf 1924 als zelfstandig kunstenaar. Hij was toen al dertig jaar oud, maar had na zijn kunstopleiding geruime tijd door Europa en Noord-Afrika gereisd. Het gevolg was dat hij zich als kunstenaar van meet aan presenteerde met volwassen, oorspronkelijk werk. Zijn fors opgezette schilderijen uit deze periode, met hun donkere tonen en stevige penseelstreken, vertonen verwantschap met de stijl van de Bergense School. De onderwerpen, interieurs, stadsgezichten en portretten, zijn direct naar de waarneming geschilderd en geven de werkelijkheid in een vereenvoudigde vorm weer. Deze schilderijen onderscheiden zich echter door een subtiel gebruik van het licht, waardoor zij een bijzondere suggestie van ruimtelijkheid geven en zij blijven door hun subtiele composities, waarin kleur een belangrijke rol speelt, altijd lichtvoetig.

Na verloop van tijd liet Toon Kelder meer fantasie toe in zijn werk.In zijn schilderijen verschenen ruiters, veelal in de gedaante van Don Quichotte, engelen en naakten. Aanvankelijk bleef de opzet van deze olieverfschilderijen stevig, maar na verloop van tijd werd ook deze lichter van vorm en voller van kleur. In deze jaren ondervond Toon Kelder grote waardering van kunstcritici als Pim Abas, kunstredacteur van de NRC, W. Jos de Gruyter, destijds werkzaam als criticus bij het Utrechts Dagblad en als redacteur bij Elsevier’s Geïllustreerd Maandschrift, Kasper Niehaus, kunstschilder en als kunstcriticus werkzaam voor De Telegraaf en A.A.Plasschaert, de esoterische tekenaar, graficus, glazenier en schrijver van kunstboeken. Zij schreven vol lof over het diffuse, weelderige kleurgebruik in zijn romantische werken, hetgeen ook het koperspubliek, in navolging van de critici, bijzonder wist te waarderen. Tegen deze achtergrond is het verbazingwekkend dat Toon Kelder na de Tweede Wereldoorlog zo rigoureus met dit werk brak en koos voor een strak gestileerde vorm van abstractie. Het grote publiek had er veel moeite mee en het commercieel succes nam af. Maar verschillende van de kunstcritici bleven hem trouw. Zij zagen in Toon Kelder de strijdbare kunstenaar, die zich koste wat kost een eigen weg wilde banen in de moderne kunst. W. Jos de Gruyter prees zijn ‘verfijnde en volmaakte, in alle opzichten uitgekristaliseerde vorm’, dit in tegenstelling tot het sobere werk van andere abstract-werkende beeldhouwers, zoals Andre Volten en Carel Visser. En in Dolf Welling, kunstredacteur van het Rotterdams Dagblad, kreeg de eigenzinnige Toon Kelder er een nieuwe bewonderaar bij. Hij schreef ‘Niemand is ooit zo getergd, gejudast, opgezweept en hardnekkig achtervolgd door een criticus als Kelder….door zichzelf’.

Het tekent de grillige ontwikkeling van deze kunstenaar, wiens werk in diverse grote internationale museumcollecties is vertegenwoordigd, maar in eigen land nog steeds relatief onbekend is.