Artikel kunsthistoricus Jaap Versteegh

Vorm of vent? De stilistische ontwikkeling en onderwerpkeuze van de schilder Toon Kelder

Zelfportret

In de jaren dertig van de vorige eeuw werd de kunstkritiek in Nederland enige tijd beheerst door de vraag ‘vorm of vent?’ Met vent werd eigenlijk inhoud bedoeld en vorm stond in dit geval voor de wijze waarop een kunstenaar uitdrukking geeft aan een bepaalde inhoud. De kwestie ging in feite over de vraag wat belangrijker werd geacht, vorm of inhoud, en kwam voort uit een discussie die de poëzie betrof. Maar deze polemiek had evengoed de schilderkunst van Toon Kelder kunnen betreffen, een vent die door de dichter Martinus Nijhof als volgt werd geportretteerd:

Tussen twee grote cirkels,

Zijn hoed en zijn palet,

Heeft God een derde cirkel,

Zijn rond gezicht gezet [1]

Opvallend in de stilistische ontwikkeling van Kelder is dat hij in de dertiger jaren een overstap maakte van een zwaar en somber expressionisme, dat overeenkomsten vertoonde met de schildertrant van de Bergense School, naar een lichtere en dunnere manier van schilderen, die door het symbolisme geïnspireerd leek te zijn. Deze verandering in de werkwijze van Toon Kelder ging gepaard met een wijziging van zijn onderwerpen. In de twintiger jaren, toen hij als schilder begon, werkte Toon Kelder vooral naar de aanschouwing. Hij schilderde interieurs, meestal bij hem thuis, vrouwenfiguren, in de meeste gevallen zijn echtgenote Alexandrine, en stadsgezichten, met name van zijn woonplaats Den Haag en van Parijs, waar hij regelmatig verbleef. Maar in de jaren dertig ging hij meer naar de verbeelding schilderen en ontwikkelde een voorkeur voor pastorale scènes, vaak voorzien van centauren en nimfen, ruiterfiguren, veelal gebaseerd op Don Quichot, en leek de herkenbaarheid van zijn vrouwenfiguren op te lossen in vage vormen en zachte kleuren.

Interieur met bloemenHet samenvallen van deze ontwikkeling in het werk van Toon Kelder met de discussie over vorm en inhoud binnen de poëzie lijkt mij niet toevallig. Bij de poëziediscussie was een aantal goede vrienden van de schilder betrokken, zoals de criticus P.H. Dubois en de dichters J.C.Bloem en de eerder genoemde Martinus Nijhoff. Toon Kelder was via hen zonder twijfel goed op de hoogte van het debat.

In thematisch opzicht was Kelder nooit een actueel kunstenaar. Anders dan veel van zijn collega’s, heeft hij zich in de door de economische crisis getekende jaren dertig nooit laten inspireren door politieke thema’s. Veel kunstenaars, ook schrijvers, meenden destijds dat van hen een antwoord werd verwacht op de noden en uitdagingen van de tijd. Met name zijn collega’s die, evenals Toon Kelder, in de rauwe havenstad Rotterdam waren geboren, getogen en opgeleid, zoals Hendrik Chabot, Jan van Heel en Johan van Hell kozen in deze jaren als kunstenaars bewust voor het socialisme. Hun realistisch werk is doordesemd van armoede, opstand en revolutie. In vergelijking met hen was Toon Kelder, die in het dagelijks leven opviel door zijn grote bek en strijdlustig gedrag, altijd een poëtisch schilder, die in zijn werk naar een verbeelding zocht van het ongrijpbare, het onbenoembare, het alomvattende, het tijdloze. Zijn werk is altijd bepaald door tere waarden als ‘geluk’, ‘verdriet’, ‘schoonheid’ en het grootste, het belangrijkste, ‘l’esprit’.  Maar geboren als eenvoudige volksjongen en als schilder vooral technisch opgeleid, zonder klassieke scholing, verbeeldde hij het ongrijpbare aanvankelijk in herkenbare, tastbare beelden als ‘thuis’, ‘vrouw’ en ‘stad’. Het wereldbeeld dat Toon Kelder op deze wijze ontwikkelde vertoont gelijkenis met de manier waarop een halve eeuw later de Haarlemse kunstenaar Antoon Heijboer de wereld zag. Ook hij vereenvoudigde zijn wereld tot enkele allesbepalende begrippen, als ‘man’, ‘vrouw’ en ‘beest’. Het grote verschil met Heijboer is echter dat Kelder, als een echte straatvechter, door dit verwarrende besef niet geestelijk uit het lood werd geslagen, maar werd gesterkt in zijn ontwikkeling richting de abstractie, die hij beschouwde als een strijd, het meest wezenlijke gevecht dat hij als kunstenaar moest voeren.

Twee baadsters

De poëziediscussie rond vorm of vent is wel samengevat in de controverse tussen poëzie-als-magie versus poëzie-als-communicatie. Wanneer men deze terminologie hanteert bij de beschrijving van de ontwikkeling van Kelders schilderkunst kan men zeggen dat hij in de jaren dertig de overstap maakte van communicatie naar magie. Maar zoals J.C.Bloem overtuigend heeft betoogd zijn vorm en inhoud van een kunstwerk nooit te scheiden, want ‘wie niets te zeggen heeft is geen goed schrijver, wie het niet kan zeggen, ook niet.’ [2] Wat Toon Kelder te zeggen had is altijd gelijk gebleven, maar hoe hij dit formuleerde veranderde in de loop der jaren. In zijn jonge jaren was zijn beeldtaal impulsief realistisch en naarmate hij ouder werd uitte hij zich steeds meer in weloverwogen non-figuratieve vormen. Maar het doel was en bleef altijd de ongrijpbare kern van de poëzie, of beter, de kunst, waarin door het samengaan van vorm en inhoud een werk werd gecreëerd waarvan de essentie, ‘l’esprit’ uitsteeg boven de som der delen.

 

Jaap Versteegh



[1] Het portret dat Kelder in 1924 van de dichter Martinus Nijhoff heeft gemaakt, bevindt zich in de collectie van het Letterkundig Museum te Den Haag. Het gedicht is ontleend aan een artikel van Jan Voskuil, ‘Toon Kelder en zijn kunst’ (in: Op de hoogte, 1939, p. 138), waar echter niet de herkomst en de datum van dit puntdicht worden vermeld. Het gedicht was bij de vrienden van Nijhoff en Kelder blijkbaar algemeen bekend; Jos. de Gruyter citeerde het (in moderne spelling) in een artikel over Kelder in Het Vaderland, 24.11.’54.

 

[2] Zie J.C.Bloem,, Gedichten. Historisch-kritische uitgave, deel 2 (Amsterdam, 1979), p. 104-105

Dit bericht was geplaatst in de categorie Nieuws, Uncategorized. Bookmark de permalink.