Toon Kelder Schilder en Beeldhouwer
De schilder en beeldhouwer Toon Kelder was een kunstenaar met een volstrekte overgave aan zijn scheppend genie. Hij was volledig onderworpen aan zijn innerlijke drang tot vormgeving. Tot het einde van zijn leven is deze vormgeving zuiver en ongeschonden gebleven. Hij hield een absoluut geloof in zijn specifieke kunstenaarstaak.
Zo heeft hij in de tweede helft van de vorige eeuw, tijdens de strijd in de kunstenaarswereld tussen figuratief en abstract, als een van de weinige oudere kunstenaars de weg naar het abstracte gevonden. Hij heeft zich van het figuratieve ontdaan en gekozen voor de naar volstrekte naaktheid gaande soberheid, de heldere eenvoud van het volume en de reducties van de massa tot vloeiende gehelen. De sensuele lijn uit zijn figuratieve tijd vormde een belangrijk onderdeel in zijn abstract werk. De rust en overgave van het tijdloze wordt gevonden in de haast geometrisch gelijnde gouaches, tekeningen en in de tot uiterste eenvoud herleide grandioze sculpturen, als minimal art te duiden.
Hij leefde zeer teruggetrokken en terzijde van de artistieke wereld. Slechts met enkele goede vrienden had hij contact.
Toon Kelder werd op 24 november 1893 in Rotterdam geboren. Hij had een Franse moeder en Nederlandse vader. Zijn eerste schilderstudie volgde hij in Rotterdam. Daarna vervolgde hij gedurende drie jaren zijn opleiding aan de Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Behalve in beeldende kunst was hij ook geïnteresseerd in muziek en literatuur. Voor en na de eerste wereldoorlog maakte hij verschillende reizen door Europa en Noord Afrika. Ongeveer in 1920 kreeg hij als schilder bekendheid.
Zijn leven als schilder bestond uit twee perioden. De omslag van de eerste periode naar de tweede vond plaats in 1947 toen hij ruim 50 jaar was. Tijdens de eerste periode van zijn schildersleven werd hij de “donker schilder” genoemd. Daarna volgde een korte luministische periode om zich vervolgens, weer kortdurend, aan te sluiten bij de Bergense School. Kelder paste eigenlijk in geen enkele school.
In 1929 ontwikkelde hij zich in de richting van het gracieuze en fantasierijke. Dit was de tijd van de zinnelijke romantische naakten, de nogal bizarre Don Quichotes, de semi-mondaine en de semi-exotische portretten. Hij schiep een geheel onafhankelijke fantasievorm, waarin hij zijn eigen natuuropvatting tot uiting kon brengen. Kelder wist het naakt de volle plasticiteit te geven door niet meer dan een zweem van groen en uiterst weinig roze in een zeer lichte vleestoon. In deze naakten is de schakel te zien met de beelden van 1950 en later.
Kelder was een begaafd colorist. Zijn doeken tonen een onstoffelijk lichtspel en een bloei van zachte, harmonische kleuren. Bij zijn eigen techniek laat hij de kleurvlakken vervloeien. De welvingen van de vlakken van de latere beelden hebben dezelfde sensualiteit. Met dit werk had hij in Nederland tussen de twee wereldoorlogen een zeer goede naam.
De tweede periode van zijn leven begon in 1947. In het Stedelijk Museum werd een overzichtstentoonstelling van zijn figuratieve kunst georganiseerd. Bij die gelegenheid kwam Kelder tot de conclusie dat zijn weelderige en gracieuze manier van schilderen niet meer paste bij de tijd waarin hij leefde. De diffuse kleurruimtes verdwenen uit zijn werk en maakten plaats voor duidelijker begrensde kleurvlakken. Behalve schilderijen maakte hij in deze tijd ook penseeltekeningen waarin het gebruik van vloeiende lijnen opvalt. Aan het einde van 1948 begon Kelder de zogenaamde “dessin dans l‘espace” te maken. Fragiele plastieken van ijzerdraad, als lijnen in de ruimte gezet. In de eerste beelden waren figuratieve uitgangspunten als vogels, maskers en ruiters goed herkenbaar. Behalve penseeltekeningen maakte hij voornamelijk gouaches, opgebouwd uit onregelmatig gebogen en rechte kleurvlakken. Vanaf 1951 vereenvoudigde hij zijn kleurvlakken verder, de illusie van de derde dimensie werd steeds meer losgelaten.
In de sculpturen viel in dezelfde tijd een omgekeerde ontwikkeling waar te nemen. In 1950 had Kelder al meer volume aan zijn draadplastieken gegeven door ze ten dele op te bouwen uit naast elkaar geplaatste stukken ijzerdraad. Zijn sculpturen stelde hij uitsluitend samen uit aan elkaar gesoldeerde draden. De zo verkregen vlakken plaatste hij zodanig in de ruimte dat er driedimensionale vormen ontstonden, begrensd door rechte en gebogen vlakken.
Vanaf 1953 heeft Kelder zijn beelden uit gesloten massa`s samengesteld. Ze bestaan alle uit een gipsen,stenen of houten kern, waaromheen een laag koper, brons of ijzer is aangebracht. Deze sculpturen lijken abstract maar ook nu gebruikte hij motieven uit de natuur als uitgangspunt. Dezelfde tegenstellingen tussen recht en gebogen, licht en donker, open en gesloten, vlak en ruimtelijk treft men aan in de gouaches, penseel en krijttekeningen.
Na 1960 werden de formaten van Kelders beelden en tekeningen steeds groter. Zijn penseelstreek werd iets losser en in combinatie met minder gladde papiersoorten kregen zijn composities een schilderachtig karakter. In zijn beelden was Kelder eveneens geïnteresseerd in de texturele eigenschappen van zijn materialen. Hij verliet de natuurmotieven en wilde uitsluitend de formele eigenschappen van vorm en materiaal aan de orde stellen.
Kelder was met zijn werk in de vooroorlogse jaren vooral in Nederland bekend. In de jaren na de oorlog, toen hij afstand van al zijn vroeger werk nam, was hij meer in het buitenland bekend. Dit blijkt uit de exposities in Venetië, Bazel, Bern, Zürich, Parijs, Brussel, Pittsburg en New York. Bijzonder was bovendien dat hij tot een zeer klein groepje van oudere kunstenaars hoorde die nooit abstract hadden gewerkt. Overigens heeft Kelder nooit echt abstract gewerkt.
Na de bevrijding en dus na het besmette realisme van de Tweede Wereldoorlog groeide in Nederland snel de belangstelling voor een nieuwe kunstvorm. De geometrisch-abstracte kunst rekent hem ook tot een van de zeer belangrijke voorgangers. Conform zijn karakter en principiële beleving van zijn kunstenaarschap ging deze overgang met veel emoties en onbegrip gepaard. Tijdens een tentoonstelling van zijn werk in het Stedelijk Museum in Amsterdam in 1947 veroordeelde hij luidkeels aan de aanwezigen dat alles wat daar van hem hing waardeloos en “flauwe kul” was. Hij wilde iets gaan maken dat misschien de moeite waard was. Zo veel als mogelijk probeerde hij schilderijen uit het verleden op te kopen en te vernietigen. Hij wilde zeer principieel zijn verleden uit wissen.
In 1957 verzocht het Museum of Modern Art uit New York hem een vragenlijst in te vullen alvorens een sculptuur van hem aan te schaffen. Op een van hun vragen, om: ”a general statement about your program as an artist in relation to society on your philosophy of art etc. antwoorde Kelder:” Art may never be something done with a purpose, must be natural. You meet in your mind ( oh, you can do nothing about it) your principal idea and than you start to work with paper or whatever you like. You begin prudently with much discipline to build up the realization of the work that is in your mind. The time of the violist who plays for money so touching a tune, has long disappeared for me. You must always avoid this easy success at all. You must wait and wait till you have found the realization that must give a small smile of happiness”.
Kelder was een bijzonder kunstenaar die, getuige bovenstaand antwoord aan het M.O.M.A geen volger was van enige richting of school, noch toegaf aan de wens van een eventuele koper. Hij was ook zeer kritisch over zijn eigen werk. Dolf Welling schrijft in 1975: “niemand is ooit zo getergd, gejudast, opgezweept en hardnekkig achtervolgd door een criticus als Kelder door zichzelf.
Hij was een zeer intellectuele man die, moeilijk bereikbaar was, maar met de kunstzinnige en intellectuele bovenlaag van Nederland een uitstekende verhouding had.
Goede vrienden hebben hem door het oprichten van de Alexandrine Stichting (de naam van zijn echtgenote) begeleid en ook financieel gesteund. De stichting had als doelstelling “bekendheid geven aan het werk van Toon Kelder”. De leden van deze stichting storten maandelijks een bedrag in de kas. Met dat geld kon Kelder blijven werken.
Tot de oudere groep van vrienden behoren kunstcriticus Plasschaert, de neerlandicus Romein, de dichters Nijhoff, Bloem en Abas, de collectioneur Boendermaker en de kunsthandelaar Debois.
Tot de latere groep Felix Tikotin kenner en handelaar van de Japanse kunst, Sandberg van het Stedelijk Museum, de fabrikant Johan Peijnenburg en Paul Rijkens van Unilever.
Participanten van de Alexandrine Stichting waren onder andere:Prof. H.B.G. Casimir theoretisch fysicus , P.H. Pott directeur museum voor Volkenkunde te Leiden en de zakenman Zwolsman.
Zij allen hebben een bijdrage geleverd om deze bijzondere schilder-beeldhouwer een grote, waardige en eindeloze bekendheid te geven. Zij allen deden dat in de overtuiging dat hij na zijn dood zou voortleven in kunstminnend Nederland. Helaas is dit niet gebeurd.
Toon Kelder dreigt vergeten te worden !!!
Het bestuur van de Toon Kelder Stichting voelt zich daarom geroepen en acht zich verantwoordelijk dat Toon Kelder erkenning voor zijn werk en een plaats in de Nederlandse schilderkunst krijgt. Dit ter behoud van het cultureel erfgoed waar Toon Kelder een niet te missen schakel van is. Daarvoor is de steun van instellingen, overheid of privé, die met de schilderen beeldhouwkunstkunst en het behoud ervan te maken onontbeerlijk. Zou de stichting er niet in slagen Kelder een erkend en gewaardeerd schilder te maken dan moet worden gevreesd dat ons nageslacht deze belangrijke schilder-beeldhouwer niet meer zal kennen. Helaas zullen zij dan deze belangrijke bijdrage aan hun culturele ontwikkeling moeten missen.
Toon Kelder Stichting.
Dr. F.A.J. van Hussen voorzitter